Die hond.

Toen puppy-lief een valsaard werd
bekeek hij kat en kippen
anders dan de tijd daarvóór.
Hij likte steeds zijn lippen
bij’t zien van de onnozelen
die door zijn glurend blikveld stapten
en van zijn hongerige smoel
geen ene mallemoere snapten.

De kat werd maarts-verleidelijk
en streek met krolse krullen
langs die van het kwaaie dier
die ’t liefst met haar zijn bak zou vullen.
Grommend en gemeen-chagrijnig
zat de rothond daar te wachten
tot zijn baas niet slechts de kat
maar alle kippen zou gaan slachten.

Maar de baas nam zijn geweer
en schoot de slechte hond terneer.
=

Advertenties

Oudzaanse molen

De_Bleeke_Dood
Bijna dagelijks fietsten we over de Lagedijk in Zaandijk naar school, vlakbij deze molen die stamt  uit 1656.
Toen ik hem voor het eerst zag was ik onder de indruk van het imposante  bouwwerk, het overheerste het kruispunt en de blik op de Julianabrug.
Mooi ook, maar als kind raakte je er aan gewend, het bijzondere zag je pas door de ogen van bezoekers. Waar de naam vandaan komt weet ik niet, wij noemden hem kortweg de Dood,  hier staat een korte uitleg.
Eerder is het een naam om ijselijke verhalen bij te verzinnen. Kies maar uit.

Wieken die hoofden afmaaiden waarna spierwitte pezen uit de nek hingen, doodskoppen die zwierden in de wind.
Meel dat gemalen werd uit gebleekte skeletten.
Molenaars die verkapte zombies zijn.
De molen was een knekelhuis, opbergplaats van verknipte moordenaars…

Theetijd

 

Er is een mankement
ik mis een stukje brein
nooit eerder was herkend
die afgezaagde lijn
het ongeweten euvel
dat in mijn naïef hoofd
slechts leidde tot gekeuvel
van origine beroofd.

Het is pas laat ontdekt
toevallig net vandaag
tis heel vlug uitgelekt
en overgoot gestaag
mijn pedante zelf-idee
van artistieke zonden.
Mistroostig zit ik aan de thee.
Ik ben te licht bevonden.
=
©Bertie Bertjens

 

Grijs en nat

 

 

 

 

 

De maartmaand is tot nog toe naatje
wat is dat nou voor ’n klimaatje
crèmen overbodig
paraplu hard nodig
bij’t ondermaatse zonnetje
dat
-verhuld in een japonnetje
van wolkig grijs en tegenzin-
het uur schijnt af te wachten
om met fatsoen weer heen te gaan.
Dat gierig maartse zonnetje,
ik zou het kunnen slaan.
=

Nog even

Allen hartelijk dank voor het medeleven.
Antiek gezegd: het doet me deugd.
Anekdotes over broer te over maar die zijn voornamelijk mooi voor onszelf, ze klinken niet goed wanneer je ze gaat opschrijven..
Nu zie ik een triple A, nooit geweten dat emotie tot alliteratie zou leiden. Goed zeg,
al doende leert men.
Morgen ga ik verder met bloggen.
Tot dan.

Dat was broer.

Dat heb je wel eens, een familielid met wie je zelden omgaat.
Geen ruzie. Trof je elkaar dan was het leuk en daarmee was de kous af.
Uit elkaar gegroeid, wetend dat hij op de achtergrond aanwezig is.
Het was voldoende.
Soms dacht je: straks W even bellen of mailen. Vanavond, morgenmiddag, zondag heb ik meer tijd, en dan vergat je het weer.
Zo ging het met een broer.
En opeens is hij dood. Zomaar weg.
Een paar nichtjes kwamen het gisteravond vertellen, zij hoorden het ook via-via.
We wisten het niet. Dat hij zieker was dan iedereen dacht.
Vanmiddag waren we bij de uitvaart.
Het was druk, allemaal mensen die lovende dingen zeiden.
Ondanks de schrik deed het goed dit te horen.
Want je staat er bij stil.

Er is wéér een familielid minder.
Gelukkig zijn er nog een stuk of wat over, je wilt wel eens kletsen over het gezin van toen.
En nu ook over de gestorven broer.
==

Over de kopfoto

Het was bloedheet, zelfs op de dijk waar we fietsten.
We zochten een weggetje naar de Maas, een zandpad, karrenspoor, desnoods een voetbreedte plat gras. Niets te vinden.
Plots zagen we deze geiten.
We keken elkaar aan: wie het eerste is?
De fietsen gooiden we neer en we renden naar het bad. Man won maar kwam het water niet in.
De dieren hieven verstoord hun kop met een duidelijk NEE. Jammer.
Met afgunst zag ik het spul aan, zij lekker kledderend en spattend en wij zweterig aan de kant. Als we ook maar één cm opschoven dreigden hun blikken ons te doden.
‘Kom op,’ zei ik, ‘laat ze verrekken met hun dwarse ogen. We hebben thuis beter water.’
Man gaf het niet op. ‘Als je ons erin laat pluk ik een bos gras als betaling.’ Hij was dan ook zo goed als uitgedroogd.
In een aangrenzend weitje begon er een te mekkeren van pret, ik zweer het je, hij lachte ons uit. Dom geitenvolk.
Toen zochten we een terras en dronken wat fris maar dat was niet hetzelfde.
-=