Klimaatakkoord, lastig gedoe.

De grote halogeenlamp is ’n beetje stuk. Hij knipperde.
Het is, samen met de bureaulamp, de fijnste verlichting en die wil ik graag behouden. We hebben ze niet voor niets uitgezocht indertijd.
En straks dienen we ze om te bouwen we of te vervangen.
Dat stoort me.
Net als het idee van omschakeling van gas naar elektriciteit.
Zonnepanelen aanschaffen. Gasfornuis vervangen en cv-ketel, een oudere woning als de mijne (ca. 1955) zal misschien niet geschikt zijn voor een waterpomp. Wat het dan wel wordt ? Dat horen we nog.
Isoleren, tja, er zit al veel geld in thermopane glas, tot de vliering aan toe. Rolluiken. We hebben de verstandigste stofzuiger, koelkast, wasmachine.
Je wordt er moedeloos van.
Niet alleen door de verwachten kosten, eerder door het gebrek aan keus. Die is er niet. Of wel?
Nostalgie is niet mijn sterkste eigenschap maar toch denk ik aan een hutje op de hei, in het bos, desnoods tussen de koeien of waar dan ook, met een open vuurtje plus rookgat en een heksenketel om te koken.
En voor het waswater.
Achteruit kachelen doen we toch al.
Advertenties

Zelf-beeld

Toen de televisie voor de derde maal uitviel gooiden we hem weg.
‘We verzinnen zelf wel wat,’ zei echtgenoot.
‘Toneelstukje?’ stelde ik voor want ik ben dol op verkleden en rare typetjes.
‘Goed idee, me Tarzan you Jane?’
Great!
Terstond hulde ik me in het vel van onze tijgerkat. ‘Is dit wat?’
Man keurde. ‘Is het niet te klein? Buk eens.’
Ongeduldig riep ik hem tot de orde. ‘Niet zeuren. Wat trek jij aan?’
‘Euh, we hebben de hond nog.’
Prima, het beest had de juiste kleuren.
Zo speelden we jungletje tot de avond om was.
Zwaaiend van lamp naar bovenkast met kreten en al.
Genieten, beter dan welk programma ook.
Maar dat slachtafval…

Weer boven water

Goedemorgen,-middag, -avond, wat dan ook.
Gisteravond waren we naar het concert van een regionale band met als extraatje een optreden van lokale artiesten.
Het was een prima band, de muziek klonk goed, de optredens waren leuk, temeer omdat je de artiesten kent. Het swingde, de stemming zat erin, het was beregezellig.
Jammer was dat halverwege de avond mijn halsketting opeens brak. Niet zo erg als mijn trouwring er niet aan zou hangen, die was meteen foetsie. Enfin, ik gaf het verlies op aan de balie en ze beloofden er bij het poetsen naar uit te kijken.
Het leek een keerpunt. Toeval waarschijnlijk.
Ik kreeg het koud, de koffie smaakte niet meer, muziek en zang ging langs me heen, verdoofden me en ik applaudisseerde mee om me groot te houden. Ik hield het vol tot het einde, (ongeveer 23 uur) en overleefde het autoritje naar huis. Daar viel ik op de bank in slaap met jas en al.
Vannacht werd ik wakker. Nog steeds bibberig koud. Paracetamol hielp me naar bed en opnieuw in slaap tot vanmorgen, daarna tot vanmiddag tot iemand me wakker belde dat de ring gevonden was. Halleluja.
Je snapt het: de vorige verkoudheid kwam terug. Denk ik. Je snapt de brutaliteit niet, iemand ongevraagd overvallen, zoiets dóé je toch niet?
Hoe dan ook. Straks duik ik weer onder het dekbed.
Morgen ga ik alle berichten bekijken, reageer en hoop te zijn opgeknapt.
Tot dan.
==

Spionnenpaar, deel 2 en slot.

Het personeel, dat op hun beurt de spionnen bespioneerde, hoorde vreemde geluiden en kwam poolshoogte nemen.
Dat stond het losgeslagen paar niet aan.
‘Opzouten,’ schreeuwden ze aards ‘we willen gewóón worden, als iedereen.’
Geschrokken verzamelden de bedienden zich in de wijnkelder. Zij belden het noodnummer van hun ruimtebaas, tevens proefden ze nieuwsgierig van een paar flessen zodat ze de misdaad precies konden uitleggen. Éven leken er een paar voor de aardse bijl te gaan maar de politiecapsule was al in aantocht.

Het leerzame echtpaar intussen maakte grote vorderingen met het normaliseringsproces.
Hij hing liederlijk op de bank met zijn voeten halverwege de salontafel, een slakom met chips op zijn buik en de kat dwars over zijn knieën. Een pijpje pils bungelde in zijn vingers, de ab in zijn andere hand.
‘Er is geen bal op de tv,’ mopperde hij deskundig.
Zij zat rechtop in een damesfauteuiltje te giechelen en probeerde teut te worden met een fles sherry. Ze aaide de verwaande Afghaan die geërgerd zuchtte. Hij wou maar dat ze goeie kant op streek en die stinksigaret neerlegde, straks verbrandde zijn staart nog, dat stomme ruimtewijf.
Buitenaardsen, het was niks met die lui en het zou ook nooit wat worden.

Plotseling werden de deuren opengegooid. Er waren zwaailichten, het floot, bliepte en tuuttuutte.
‘Hallooo,’ riep zij scheelkijkend naar de zilveren pakken. ‘Gezellig, kommerin.’
‘Gaan we nou al trug?’ vroeg hij, ‘nou wut eindelijk dóór hebben?’
Ze kregen geen ander antwoord dan een hoofdschuddend ingrijpen.
Vastgeriemd op ruimtebrancards lalde het stel de capsule in.
‘En we gane met se alle naar de maan…’ 
-==

Spionnenpaar deel 1

Er was eens een echtpaar. Een heel uitzonderlijk paar.
Hij was een vlotte vent en maakte een solide indruk. Hij oogde krachtig van bot en had een gevoelig uiterlijk.
Hij deed iets vaags in een bureau en was intelligent en geestig.
Kortom, hij was àf.
Zij was een knappe meid met een huid als roompap. Haar slanke lichaam bewoog zich op volmaakte benen, haar haar had de kleur van hoog-zomergraan en golfde precies zo.  Ze was iets onduidelijks in het ziekenhuiswezen waar haar uiterlijk alleen al de patiënten genas.
Ook zij was àf.

Dit voorbeeldige echtpaar woonde al enige maanden in een huis dat, voorzien van bediendes, paste bij hun uiterlijk.
Zij hadden een taak.
Zij moesten de aarde bestuderen en hadden daartoe een aangepaste uitmonstering gekregen.
Tot op een dag…

‘Schat,’ zei hij aan het ontbijt, ‘ik verveel me.’
‘Ik ook, ‘ was haar antwoord.  ‘Vind je niet dat we ons beter  moeten aanpassen? De mensen om me heen zijn geen van allen zo fatsoenlijk en saai als wij.’
Hij knikte. ‘Dat was mij ook opgevallen. Ik ben finaal uitgekeken op dit spionnenbaantje. We nemen stiekem ontslag.’
Ze dacht na. ‘Zullen we eerst leren ons te gedragen als echte mensen? Om te weten hoe te lachen?’  Om te beginnen haalde ze hard en gorgelend haar neus op.
Hij keek haar uilig aan en vroeg: ‘Is dat grappig?’
‘Weet ik niet, maar ik hoor en zie de hele dag hun lijfelijke functies en ze vervelen zich geen moment.’
Hij bekeek haar wat kritischer.
‘Misschien moeten we wat lelijker worden. Zo onecht als wij erbij lopen zie je alleen in hun films.’
‘Bedoel je dit?’ Ze trok anderhalve tand uit haar bovengebit. Hij staarde haar verbouwereerd aan en schoot in een aardse lach.
‘Nee, dan dit.’  Hij rukte een dot haar uit zijn achterhoofd en plakte het met appelstroop onder zijn neus, ‘een aardse snor, ha, eh, ha’.
Ze raakten door het dolle. Ze verschoven hun oren tot ze klapperden en knoopten hun kleren scheef dicht, draaiden  broekritsen naar achteren, ze smeerden mayonnaise op hun hoofd ter blondering.
Ze lachten zich suf.

Morgen de rest.

De planeet Aarde…

…lijkt in mensenogen geen bedacht concept.
Teveel strubbelingen. Altijd in de weer met problemen door het eigen lichaam, wispelturige klimaten, dodelijke planten, dieren die elkaar uitmoorden, dwarsliggende bewoners.

Het begin is al duister.
Er knalt een brok materie de ruimte in.
Na veel vijven en zessen weet het zich  te vormen tot planeet Aarde en meet zich een mantel aan. Kwalitatief een uitverkoopje gezien de vulkanische gaten en schuivende voering hetgeen rare uitstulpsels oplevert. En veel kale plekken met heet zand als brandblaren.
Dan de rest.
Vaste grond splijt in losse stukken, hier en daar een dammetje ertussen dat later bezwijkt onder een overvloed van water.
Intussen weeft hij zich een huis van groen, bijzonder onnutig verdeeld waardoor de ontstane wezens zich rot sjouwen om niet ten onder te gaan en in arren moede nieuwe ledematen aanmaken.
Uiteindelijk verschijnen er mensen waarin op wonderbaarlijke wijze verstand begint te groeien,  net voldoende om zich te weren tegen Aardes hinderlijke eigenschappen. En daar nog steeds mee bezig zijn.
Zo ontwikkelt zich onze planeet.
Ontwikkelt zich aldoor maar wie weet wordt het nog wat.

Het lijkt op een toevalstreffer in het heelal.  Zomaar in een of andere baan terecht zijn gekomen, geclaimd door de zon en zijn volgelingen.
Graag zou ik willen weten of er een lijn in zit, een plan, en waarom we dat niet mogen weten. Of houdt dat juist in dat er GEEN plan is?

 

Natuur. Bestaansrecht. En herten dan?

Wat is de zin van het het leven? Ik weet het niet.
Bekijk de natuur en er lijkt maar één reden te zijn: bestaan. Al was het maar om als voedsel te dienen voor een medenatuurwezen. Zelf vind ik dat twijfelachtig, er zijn andere dieren geweest die uitstierven en de natuur draaide gewoon door, ze liet simpelweg nieuwe, aangepaste soorten aantreden dan wel muteren. Misschien moest het nog ’n beetje geleerd worden.
Enfin, er was een begin en het einde is nog niet in zicht.

Al met al lijkt de natuur voor een leek op een tamelijk ondoordachte structuur van ogenschijnlijk logische verbanden die juist een ordening lijken te ontberen.
Deskundige biologen weten beter, helaas weten die weer te weinig van de mensheid in een dichtbevolkt land en kennelijk is ook de voortplanting een vergeten thema, ze creëerden er op los tot ze een imitatienatuurtje hadden en nu met  een enorme roedel herten opgescheept zitten.
Die hebben géén bestaansrecht meer.
Men kan ze laten leven tot ze met honderden zijn en verhongeren, ik weet niet wat erger is.
Misschien moeten we leren denken als Trump: alle narigheid is nep en wapenbezit is een grondrecht, ieder schiet een paar herten en de natuur is hersteld.

Weblog? Kerstboom.

Al een poosje zoek ook ik naar een nieuwe opmaak voor Bertjens. De halve dag besteedde ik er aan
Maar als ik eindelijk iets had gevonden naar mijn zin bleek het een betaalde versie.
En dat voor een krenterige Hollandse, ze mogen blij zijn dat ik er in schrijven wil.

Dan maar aan de kerstboom beginnen, daaraan wijdde ik de andere daghelft.  Aanvankelijk was er twijfel, wel zetten? niet zetten? alleen de verlichting? groen laten? weggooien? kerstplantje kopen?
Ik heb hem toch maar tevoorschijn gehaald en opgetuigd.
Alles wat aan sierspul aanwezig is hangt er in, dan kan ik tenminste geen kerststukjes meer maken. Dat is altijd een gedoe. Overgeschoten stukjes zilverlint, een vergeten engel, ster, klokje, het moet allemaal ergens in en aan en wordt in potjes gestopt en aan schilderijen gehangen want dat ‘staat zo gezellig’ en ik vind er niets aan.

Het is wel vroeg dit jaar.
Ik hoop maar dat het niet te gauw verveelt, hij moet tot minstens kerstavond blijven staan, bij het etentje.
Dan kan ik eerste kerstdag aan de afbraak beginnen, na een lange avond van stille en heilige nachten ben je blij als het weer ochtend is.
Gezond weer op (nou ja…) en de beuk erin.
Een echte kerstgedachte.

Geheim geklets

Ik heb een geheim. Een groot, zeer groot geheim.
Daar praat ik nooit over.
Het is eigenlijk niet te doen, zolang met een geheim rond te lopen maar ja, ik heb het beloofd.
Daarom vertel ik het niet.
Het is er al zo lang dat ik niet precies meer weet wannéér ik het beloofde en aan wie.
Eerlijk gezegd weet ik ook niet meer wat het geheim inhoudt.
Dat is lastig. Een vergeten geheim bewaren, daar ga je over piekeren.
Zo van: wat was het ook al weer? zal ik het vragen? maar aan wie? Het zou de verkeerde persoon kunnen zijn en dan ben ik al op de helft van verraad.
Dus ga ik maar door met zwijgen, almaar door en door.
Daar word ik wel eens moe van.
Ik zal blij zijn als ik het mag vertellen maar dan moet ik eerst weten wat het was. En van wie.
Het ziet er naar uit dat ik het mee ga nemen in het graf.
Dan zal niemand het te weten komen.
Dat ik een groot geheim had.

Deze zin viel me op

‘Lof heeft zoveel valse varianten dat achterdocht in deze gerechtvaardigd is’
  Francis Bacon in zijn essay Over Lof.
Moeilijk te ontkennen.
Ik heb het altijd (nou ja, die enkele keer..) moeilijk gevonden als ik geprezen werd. Voor de hele klas waarvan een paar meiden je met openlijke hekel bekeken. Je voelde je doodongemakkelijk onder de afgunst.
Niemand van de klasgenootjes hield daarvan,  misschien was het een gebrek in onze opvoeding daar goed mee om te gaan, als arbeiderskinderen waren we niet gewend aan lof.
Hoogstens van een buurmeisje dat je nieuwe jurk bewonderde omdat ze op  je verjaardagsfeestje aasde
Het wantrouwen van lof, dat kreeg je vanzelf mee. Je was blij met een klein compliment, meer hoefde niet want je geloofde de rest toch niet.  Een soort ingebakken minderwaardigheiscomplexje.
Zo overdreven in onze ogen, iets voor heiligen.  Of voor dooien op ouderwetse bidprentjes, dat was ook voor de helft gelogen.
Lof was ook een katholieke  avonddienst . Dat was trouwens nog erger,  altijd die kerkgang waarin je je suf verveelde.  Je werd er nog om uitgelachen ook door protestante kinderen die vroegen of we daar witlof aten. Ha. Ha. Ha. Je lachte zuur mee.
Zodoende was ‘lof’ een akelig onderwerp, in beide betekenissen.
Behalve een ovenschotel maken kon je er niets mee.
Maar het zal aan ons gelegen hebben.
==